Hoofdstuk 1

Op 14 april 1957 kwam ik ter wereld in de Stationsstraat in Bergen op Zoom, in het ouderlijk huis van mijn moeder. Volgens de verhalen was ik blauw van de kou — of misschien was er iets anders aan de hand. De precieze details ken ik niet meer en ik was natuurlijk niet in de positie om aantekeningen te maken.
Ik was nummer drie in een gezin dat uiteindelijk uit negen kinderen zou bestaan: Anita, Eric, ik, Nicolle, Monique, Emerence, Cecille, Bas en Veronique.
Mijn ouders waren sportieve mensen. Ze hadden elkaar rond 1952 leren kennen tijdens hun opleiding en bouwden samen een groot gezin op. De rolverdeling was in die tijd klassiek: Pa verdiende de kost en Ma zorgde voor de kinderen. Achteraf denk ik wel eens dat mijn moeder daardoor weinig ruimte heeft gehad om haar eigen sportieve talent verder te ontwikkelen.
Mijn vader was de charmante “Puk”: 1,54 meter lang, klein van stuk maar met een enorme uitstraling. Zijn lengte maakte weinig indruk als hij eenmaal een gymzaal binnenliep. Hij wist respect af te dwingen bij leerlingen die soms letterlijk een kop groter waren.
Mijn jeugdherinneringen bestaan uit losse beelden: koude melk met blauwe doppen, Pipo de Clown op televisie, ijsjes bij oma voor tien cent, vakanties in Zeeland en Zuid-Frankrijk, spelen op straat en eindeloos bewegen. Ik was een stormkind: druk, eigenwijs, vaak buiten en altijd op zoek naar iets nieuws.
Van het Marijkeplein verhuisden we in 1965 naar Beatrixpark 12 in Etten-Leur. In de volksmond was dat de buurt van de “rijke stinkerds”. Voor mij was het vooral een enorme speelplaats: muren, daken, bomen, garages en genoeg ruimte om kattenkwaad uit te halen.

Op mijn elfde was ik fanatiek met sporten. Bij slagbal maakte ik een snoekduik naar een honkpaal omdat ik absoluut niet afgetikt wilde worden. Daarbij brak een stuk van mijn voortand af. Ik spuugde de stukjes uit en ging verder met het spel.
Pas later merkte ik hoeveel last ik daarvan had. In mijn puberteit schaamde ik me ervoor en hield ik soms mijn hand voor mijn mond als ik met meisjes praatte.
Toen ik zeventien was, repareerde een militaire tandarts de tand. Twee dagen later brak het stukje er bij een nieuwe snoekduik alweer af. Gelukkig werd het snel opnieuw gemaakt. Op oude foto’s kun je het nog zien.
Dat typeert mijn jeugd eigenlijk wel: vallen, opstaan en doorgaan. In een huis met negen kinderen was er altijd beweging, geluid en leven. Het was warm en chaotisch tegelijk — en daar begon mijn verhaal.
