VAN PUK TOT VRIJHEID · HOOFDSTUK 5
Zeventien en beroepsmilitair
De Koninklijke Militaire School in Weert
Op 1 mei 1974 begon ik aan de Koninklijke Militaire School in Weert. Ik was net zeventien. Een paar maanden eerder had ik nog gedacht aan de binnenvaart, Albert Heijn en misschien het CIOS. Na het overlijden van Pa was alles anders geworden. Defensie bood een opleiding, inkomen en een toekomst. Zo werd ik beroepsmilitair.
Niet omdat ik als kleine jongen al droomde van een uniform. Het was vooral een praktische keuze. Er bestond binnen het leger een mogelijkheid om later sportinstructeur te worden. De Geneeskundige Dienst leek me bovendien een goede basis. Dat plan om sportinstructeur te worden zou jaren later niet doorgaan, maar dat wist ik toen natuurlijk nog niet.
Weer structuur
Achteraf is het niet zo vreemd dat het militaire leven me ergens paste. Na Saint Louis kwam ik opnieuw terecht in een wereld van groepen, regels, discipline en duidelijke verwachtingen. Alleen was het nu geen internaat. We marcheerden, schoten, tijgerden, groeven schuttersputjes, liepen de hindernisbaan, wierpen granaten en gingen op oefening.
Ik haalde er zelfs mijn zeilbrevet en maakte vijf parachutesprongen. Voor die sprongen moest mijn moeder toestemming geven omdat ik nog zo jong was. Ik vond haar bezorgdheid toen maar overdreven. Veel later, toen mijn eigen dochter ging vliegen, begreep ik ineens een stuk beter wat er door haar heen moet zijn gegaan.
Die verdomde schoenen
Aan één onderdeel had ik een hartgrondige hekel: lopen. Nog steeds trouwens. Na vijftig meter marcheren deden mijn voeten al pijn. Ik had brede voeten en een hoge wreef, maar passend militair schoeisel was er voor mij blijkbaar niet. Mijn schoenen waren te groot. Na kilometers lopen kwamen de blaren vanzelf.
Tijdens een oefening van weken was ik er op een gegeven moment helemaal klaar mee. Strompelend marcheerde ik terug richting kazerne. Ik pakte mijn FAL bij de loop, legde het wapen over mijn schouder en stapte uit het peloton.
Dat werd uiteraard niet gewaardeerd. Terwijl de rest van de groep extra heen en weer moest lopen, kwam een kaderlid naar me toe. Ik was boos, moe en had pijn. Ik maakte hem in niet mis te verstane woorden duidelijk dat hij uit mijn buurt moest blijven. Uiteindelijk wist hij me toch zover te krijgen dat ik terugging naar de groep.
Het kostte me drie maanden extra basistraining.
Leren rijden
Inmiddels achttien deed ik ook mijn militaire rijopleiding. De theorie haalde ik, maar voor het praktijkexamen in Eindhoven zakte ik. Volgens de examinator reed ik rakelings langs fietsers en buitenspiegels. Ik raakte niets, maar de beste man vond mijn rijstijl toch wat te avontuurlijk.
Twee jaar later haalde ik mijn burgerlijke rijbewijs met maar drie praktijklessen. En in 1984 regelde ik via de militaire rijschool in Venlo alsnog mijn militaire vrachtwagenrijbewijs. Dat zou veel later nog een aardige voetnoot worden: na twintig jaar Defensie en vijfentwintig jaar ambulance eindigde mijn werkzame leven uiteindelijk achter het stuur van een vrachtwagen.
De Geneeskundige Dienst
Na de militaire basis begon de vaktechnische opleiding voor de Geneeskundige Dienst. Drie maanden op de Juliana van Stolbergkazerne in Amersfoort, bij het Opleidingscentrum Militair Geneeskundige Dienst. Anatomie, pathologie, instrumentenleer: ineens ging het niet meer alleen over marcheren en schieten, maar over het menselijk lichaam.
Dat vond ik machtig interessant. Ik wist toen nog niet dat deze keuze als zeventienjarige de rode draad van bijna mijn hele werkzame leven zou worden: eerst twintig jaar militair geneeskundig, daarna vijfentwintig jaar op de ambulance en daarnaast tientallen jaren lesgeven in EHBO, reanimatie, brand en ontruiming.
Maar voordat ik dat allemaal kon weten, wachtte mij eerst een wereld die voor een jongen van zeventien behoorlijk indrukwekkend was: secties, ziekenhuisafdelingen, operatiekamers, patiënten en voor het eerst heel dichtbij geconfronteerd worden met ziekte en dood.
