Hoofdstuk 3: Scheepsjongen – vijf maanden op de binnenvaart

VAN PUK TOT VRIJHEID · HOOFDSTUK 3

Scheepsjongen

Vijf maanden op de binnenvaart

In juni 1973 had ik mijn MAVO-diploma op zak. Met de hakken over de sloot, maar ik had het gehaald. Ik was zestien en moest bedenken wat ik met mijn leven wilde. Uit beroepskeuzetests kwamen richtingen als verpleegkunde, ondernemen en sportleraar. Toch ontstond er een ander idee: ik wilde kapitein worden op de binnenvaart.

Mijn oudste zus Anita had verkering met Henk, een zoon uit een schippersfamilie die we ook kenden van vakanties in Zeeland. Misschien kwam daar de inspiratie vandaan. In mijn nieuwe paspoort kwam zelfs als beroep te staan: scheepsjongen.

Aan boord van de PAX

Ik kwam terecht op de PAX van de familie Mooren. Romantisch was het werk niet. Het was vegen, poetsen, verven en sjouwen. Bij laden en lossen moesten de zware luiken en merkels worden verplaatst. Af en toe mocht ik het stuurwiel vasthouden wanneer we rechtuit voeren. De schippersvrouw kookte uitstekend. Ik heb later zelden zo’n enorm bord warm eten met zoveel smaak naar binnen gewerkt als na zo’n dag lichamelijk werk.

Aan boord leerde ik ook dat ieder touw zijn eigen naam heeft. Dat is niet voor niets. Als er snel gehandeld moet worden, moet iedereen precies weten wat er bedoeld wordt.

Mijn eerste sluis

De eerste keer dat we een sluis binnenvoeren kreeg ik de opdracht het schip te helpen afremmen. Via een luidspreker stond ik in contact met de schipper. Pas bij mijn derde poging kreeg ik de landvast om de bolder. Ik sloeg hem om de penbolder aan boord, maar het schip had nog veel te veel vaart.

Ik hoorde de nylon kabel knerpen onder de spanning. Ik deed het bijna in mijn broek van angst. In mijn hoofd zag ik de kabel al breken en als een zweep terugkomen. Ik was zestien, maar op zo’n moment leer je heel snel dat water, staal en een zwaar schip geen speelgoed zijn.

Een wereld die steeds groter werd

In die vijf maanden zag ik een wereld die ik thuis nooit had gezien. In de haven van Rotterdam ging ik aan boord van een zeeschip met een ruim vol gedroogde kokos. Een enorme zuigslang verplaatste de lading naar ons binnenvaartschip. Het diepe ruim, de vreemde geuren, de matrozen en de machines maakten indruk op me.

We lagen in de Rijnhaven Rotterdam. Ik had vrij, stopte honderd gulden (1973) in mijn zak, nam mijn dagboek mee en ging als zestienjarige op avontuur naar Katendrecht. de destijds bekende hoerenbuurt, Ik liep een café binnen en liet de barman trots iets in mijn dagboek schrijven. Er zat precies één vrouw aan de bar. Zij kreeg mijn volledige aandacht, maar zag dit groentje duidelijk niet zitten. Ik kwam terug aan boord met de honderd gulden nog gewoon in mijn zak.

Ook Amsterdam leverde een les op. We lagen achter het Centraal Station. Toen ik door het station liep, hoorde ik ineens iemand mijn naam roepen: “Thom!” Ik begreep niet hoe die vreemde man mijn naam kon kennen. Pas later realiseerde ik me dat die groot op de achterkant van mijn trui stond. Hij bood aan mij Amsterdam te laten zien. Uren later werd ik weer bij het schip afgezet. Van een deel van die nacht heb ik slechts flarden in mijn geheugen. Ik was dronken gevoerd en in een situatie terechtgekomen die ik niet goed kon overzien. Er gebeurde voor zover ik weet uiteindelijk niets, maar achteraf denk ik vooral: hoe naïef kun je zijn als je zestien bent?

En dan zijn er herinneringen die nergens spectaculair om zijn en toch blijven hangen. Midden in de nacht, volle maan, aangemeerd bij een fabriek waar meel werd geproduceerd: de geur van maïzena. Ik schreef erover in mijn dagboek. Waar dat dagboek gebleven is, weet ik niet meer.

De val in Duisburg

In Duisburg moest ik de merkels teren, de lange balken waarop de luiken rustten. Ik stond op het gangpad langs het ruim met een zware pot van ongeveer tien liter teer in mijn rechterhand en een bokkenpoot in mijn linker. Door een beweging van het schip verloor ik mijn evenwicht.

Ik viel het ruim in.

Het vreemde is dat ik die pot teer niet wilde loslaten. Het volgende wat ik weet, is dat ik wakker werd met mijn rug tegen een tussenwand, meters verderop. Eerst dacht ik werkelijk dat ik een dutje had gedaan. Toen zag ik dat ik onder de teer zat.

Ik liep wankelend naar het midden van het ruim. De schipper zag toen pas dat er iets gebeurd was. Een ambulance bracht me naar het ziekenhuis. Daar constateerden ze een hersenschudding en een forse bloeduitstorting in het oog. Hoe ik die val zonder gebroken nek of andere botbreuken heb overleefd, weet ik niet. Mazzel gehad. Zoals wel vaker in mijn leven.

Er was kennelijk nergens anders plaats, dus ik belandde op orthopedie. De instructies waren simpel: nicht rauchen, kein Fernsehen und flach liegen. Na twee dagen observatie werd ik per ambulance teruggebracht naar mijn ouders in Etten-Leur.

Geen kapitein

Eind november 1973 zat ik weer thuis bij Pa en Ma. Ik vertelde ze dat mijn besluit niet alleen door die val kwam. Ik zag mezelf gewoon niet meer als toekomstige kapitein. Zij begrepen het en waren het ermee eens dat ik stopte.

Begin december ging ik meteen aan het werk bij Albert Heijn. Eerst als vakkenvuller, al snel in het magazijn. Ik kon de brutale chauffeurs wel aan en mocht zelfs richting een managementopleiding. Maar ook daar voelde ik: dit is het niet.

Ik dacht dat ik tijd genoeg had om uit te zoeken wat dan wél mijn weg zou worden. Een paar dagen later, op 8 december 1973, veranderde alles.

🌐 Taal / Language